Onlandse Tijdingen | Woeste gronden

di 14 sep 2021, 16:48 Column

Woeste, ongecultiveerde gronden, zijn die er nog? Nauwelijks, al waren ze ooit, een eeuw of twee geleden, zo kenmerkend voor de streek waar deze kranten worden bezorgd.

Ik woon onder een schilddak op een oude zolder in Zutphen, ingericht met kringloopspullen. Nee, niet het dak op de foto.

De zolder heeft een venster dat uitzicht biedt op andere daken, en beneden op de markt. Die markt is geen plein, maar een langgerekte straat, een brede goot tussen voorname huizen. Op een hete dag is hij een boomloos, kokend ravijn, maar hete dagen waren er nauwelijks deze zomer.

Achter de gevels, aangepast aan de loop der eeuwen, gaan oude gebinten schuil. Zoals op mijn zolder. Spanten, gezaagd uit vijftiende eeuwse eiken. Pen- en gatverbindingen. Merktekens van de beitel van een timmerman.
Verder boeken en wifi.

Dat is de uitvalsbasis van mijn schrijven hier. De zolder betrok ik anderhalf jaar geleden, komend vanuit de Randstad. Net voor de corona-uitbraak. De streek waarin de stad ligt noemt zich de Achterhoek.

Telkens als ik de naam hoor denk ik: achter wat? En wat is die hoek? Een hoek is de begrenzing van een ruimte. Is dit een verscholen land? Is de Achterhoek een uithoek? Gingen ontwikkelingen eraan voorbij? Liepen hier de wegen dood?

De Achterhoek is ook oorsprongsgebied van mijn familie, zo oud als het gebinte.
Zelf groeide ik voor een deel op in Twente - met een uitstap naar Australië.
Maar nabij Lochem ligt in een buurtschap Groot Dochteren het erve Boevink, waarvan de historie teruggaat tot in de Frankische tijd. Een brug over de Berkel draagt de naam Boevinkbrug. Op een gerechtelijke akte uit 1691 komt het goed ‘Bouvincx’ voor, maar dat ligt weer in een ander buurtschap, dat van Barchem.
Die sjieke spelling ging helaas verloren.

Nooit heb ik geboerd, had geen eeltige handen. Heb altijd van de pen geleefd, rubrieken geschreven en columns, tot vorig jaar nog bij een landelijk dagblad, en nu ben ik overgewaaid naar een oude streek en zou ik kunnen schrijven over boeren, essen, dorpen.

Ik mompel soms plaatsnamen voor me uit, als waren het pleisterplaatsen en handelsposten in een onbekend land. Olburgen, IJzerlo, Dinxperlo, Woold, Azewijn.
Er rijden over zandwegen postkoetsen naar toe, getrokken door een vierspan. Hier en daar een buitenplaats, een gehucht om een kerkje, bossen.
Velden met oude hoeven, woeste gronden. Onland.

Maar ook over het licht wil ik schrijven, het licht dat mijn zolder bereikt en zich over die andere daken en huizen legt. Wonderschoon is het soms.

Ik schrijf dat licht toe aan de rivier en de weerkaatsing, maar ook aan het rood op de middeleeuwse daken, dat intens kan gloeien.

Stad en streek; het zou kunnen dat hier iets bewaard bleef dat elders verloren ging.

Wim Boevink