Ons verlangen naar het verloren paradijs…
Afgelopen zomer liepen mijn vrouw en ik langs het water van het Kattegat, de zee tussen Denemarken en Zweden. Groots was het uitzicht bij zonsondergang, de golven klotsten tegen de steentjes aan, een verdwaalde ree zagen we in het struweel huppelen, zwaluwen zochten hun plek in de holletjes van de kliffen en vooral zagen we veel bloemen: hazenpootje, rolklaver, slangenkruid, papaver, duinrozen, koninginnenkruid… een heerlijke, kleurrijke, paradijselijke plek om tot rust te komen. We werden als het ware opgenomen in de natuur, we voelden ons deel van het geheel. Ons verlangen naar paradijselijke sferen werd even gestild: ja, zo heeft de Eeuwige het leven bedoeld!
Zo is het ooit begonnen, zo schrijft de Bijbel in het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1). God sprak een paar woorden en dag voor dag kwam de schepping in alle rijkdom tot leven, tenslotte ook een man en een vrouw, die dit alles mochten beheren. En God zag, dat het goed was!
In een tweede scheppingsverhaal (Genesis 2 en 3) gaat het net anders; daar schept God eerst de man; de Eeuwige knutselt hem in elkaar van stof en aarde en blaast er leven in. Maar hij was wel erg alleen. En zo boetseerde God verder: vogels, dieren, vissen, planten, alles, maar de man voelde zich erg alleen. Tja, wat nu: een vrouw werd gemaakt: het koste de man een rib uit zijn lijf! Maar dan heb je ook wat! Wauw! De man was opslag verliefd. En samen genoten ze van elkaar en van alles wat er groeide!
Ze zouden nog lang en gelukkig geleefd hebben, als ze ergens in zichzelf geen onrust hadden gevoeld om meer te weten te komen, waar ze vandaan kwamen, het hoe-watwaarom-waartoe… God had hen nog zo gezegd: wees tevreden met alles wat ik jullie geschonken heb! Het is echt genoeg: liefde, het naakte lijf, lekkere vruchten en dieren en elkaar om mee te spelen… Maar ja, de mensen wilden toch meer: zijn als God! Alles kunnen, alles begrijpen, de wereld en niet alleen de paradijselijke tuin.
En inderdaad is het de mens gelukt heel veel te weten en te maken en te knutselen. Ze kunnen naar de maan, het heelal bekijken, de kleinste cellen ontdekken; ze sloegen zich trots op de borst. Maar ook het donker leerden ze kennen in zichzelf – de jaloezie, de haat, hebzucht, de dood. En ook hoe het de aarde soms te veel werd, hoe de mensen leefden: zorgen om klimaat…
Hoe verlangen de mensen soms terug naar het paradijs! Het kleine en goede leven, het leven zoals de Schepper het ons gunt… Gelukkig bestaat dat paradijs overal waar liefde is en schoonheid, hoop, geloof, een oor die luistert, een arm die troost, een hand die streelt, een strand aan het Kattegat… En dan hoor ik God zeggen: Ik zie, dat het goed is!