Coen Stevens. Foto: Roel Kleinpenning
Coen Stevens. Foto: Roel Kleinpenning

'Ik pleit weer voor het wij-gevoel'

Dorps-verbinder Coen Stevens neemt afscheid

GAANDEREN - Toen Coen Stevens in de jaren tachtig begon in het welzijnswerk, draaide het buurthuis in Gaanderen op volle toeren. Kinderen knutselden er, jongeren organiseerden eigen avonden en ouderen speelden koersbal of klaverjas. Nu, bijna vier decennia later, neemt hij afscheid als dorpsverbinder van Gaanderen. “Ik heb generaties zien opgroeien. Kinderen kwamen later als vrijwilliger terug bij de KIVADA, trouwden en kregen zelf weer kinderen.”

Door Meindert Bussink

Stevens stopt begin juni na “38 jaar en 5 maanden welzijnswerk”. Zijn loopbaan liep vrijwel parallel aan de veranderingen in het sociale leven van dorpen als Gaanderen. Hij begon als sociaal werker, jongerenwerker en opbouwwerker en groeide later door naar buurtcoach en dorpsverbinder. “Toen ik begon deed je van alles: jongerenwerk, hulpverlening, activiteiten organiseren, mensen bij elkaar brengen. Uiteindelijk noemde ik mezelf maar dorpsverbinder.”

Dat verbinden liep als rode draad door zijn carrière. “Je kon echt iets betekenen voor mensen. Soms waren jongeren even ontspoord en probeerde je ze weer op het rechte pad te krijgen. Maar het ging ook om samen activiteiten doen, samen de mouwen opstropen. Dat is altijd mijn drijfveer geweest.”

Buurthuis als hart van het dorp
Stevens kijkt met warme gevoelens terug op de hoogtijdagen van het buurthuiswerk. “In die tijd waren er activiteiten van kinderen van zes jaar tot ouderen in de negentig. Het buurthuis was een ontmoetingsplek voor de mens die je bent.”

Met vrijwilligers organiseerde hij jarenlang activiteiten als jeugdavonden, sporttoernooien en de KIVADA, die jaarlijks honderden kinderen trok. “Bij de KIVADA deden ongeveer 250 kinderen mee en hadden we tachtig vrijwilligers. Elk jaar weer.”

Hij glimlacht als hij terugdenkt aan ouders die klaagden dat hun vakantieplanning moest wijken voor de kindervakantiedagen. “Dan hoorde je: ‘Komt die Coen weer met die vakantie? Nu moeten wij onze vakantie aanpassen.’”

Ook jongeren kregen volgens Stevens vroeger meer verantwoordelijkheid. “We hadden muziekwerkgroepen en jongeren organiseerden zelf activiteiten. Natuurlijk ging er wel eens iets mis, maar jongeren leerden ook van elkaar. Er was een corrigerend vermogen.”

Volgens Stevens werkte dat beter dan jongeren alleen wegsturen van hangplekken. “Gooi ze in een zaal en meestal gaat het goed. Soms ook niet, dan lagen ze te rollebollen, maar dat hoorde erbij.”

‘Zwarte bladzijde’
De grootste verandering kwam volgens Stevens rond 2015, toen gemeenten meer zorgtaken kregen en welzijnswerk veranderde. “Er kwam meer nadruk op hulpverlening en minder op het sociale aspect. Minder ontmoeten, minder activiteiten.”

Hij noemt die periode “de zwarte bladzijde” van zijn carrière. “De overheid zei: het sociale moeten burgers zelf oplossen. Wilde je een kinderclub of tieneravond? Dan moest je dat zelf regelen.”

Volgens Stevens verdween daarmee een belangrijk deel van het opbouwwerk. “De kracht was juist dat bewoners samen met professionals iets opzetten. Maar ineens moest een vrijwilliger zelf een opvolger zoeken als hij stopte.”

Niet alleen in Gaanderen verdwenen activiteiten, vertelt hij. Ook buurthuizen en wijkcentra in omliggende plaatsen verloren functies of sloten de deuren. “We kwamen in een ‘eigen ik-bubbel’ en niet meer in een ‘wij-bubbel’ terecht.”

Het gevolg ziet hij nog steeds terug. “Meer eenzame ouderen, meer overlast door jongeren en minder contact tussen mensen.”

Terugkeer van ontmoeting
De laatste jaren ziet Stevens echter weer een kentering ontstaan. Met steun van de provincie Gelderland en de gemeente Doetinchem werd ongeveer 2,5 jaar geleden de Dorpendeal Gaanderen opgezet. Het doel: meer ontmoeting, samenwerking en sociale cohesie.

Stevens hielp mee met het schrijven van het plan, maar wilde aanvankelijk niet zelf de rol van dorpsverbinder vervullen. “Ik zei: het lijkt net alsof ik mijn eigen plan schrijf.”

Hij dacht zelfs aan vervroegd pensioen. “Ik had die zwarte bladzijde gehad en vond het welletjes.” Toch keerde hij uiteindelijk terug in een parttime rol van negentien uur per week. “Toen dacht ik: nu kan ik het ook mooi rondmaken.”

Vanuit de Dorpendeal werden verschillende projecten gerealiseerd. Rondom sporthal De Pol kwam meer vergroening en ontstonden nieuwe ontmoetingsplekken met bankjes. “Mensen zitten daar nu even te wachten op hun kinderen van school, maken een praatje of eten een boterhammetje tijdens een wandeling. Die bankjes zijn echte ontmoetingsplekken.”

Ook de culturele zaal van De Pol kreeg een metamorfose en er kwamen nieuwe voorzieningen voor activiteiten en presentaties. “De Pol is echt een aanwinst voor Gaanderen. Vroeger had je nog cafés, maar die verdwijnen. Nu kun je hier sporten, een drankje drinken, elkaar ontmoeten en activiteiten organiseren.”

Van EXPOGA tot Pleinenfeest
Volgens Stevens ontstond de afgelopen twee jaar opnieuw meer samenwerking tussen verenigingen en organisaties in het dorp. Dat zag hij onder meer terug bij de terugkeer van EXPOGA, de beurs die vorig jaar na tientallen jaren terugkeerde in De Pol.

“Dat werd echt gedragen door meerdere organisaties. Stichting Sport en Cultuur, de schutterij, voetbalverenigingen, De Pol: iedereen deed mee.”

Ook het Pleinenfeest wordt nieuw leven ingeblazen. “Dat was vroeger echt van en door Gaanderen, maar was een soort veredelde braderie geworden. Toen hebben we gezegd: laten we het weer samen oppakken.”

Nieuwe initiatieven ontstaan inmiddels vanzelf, merkt Stevens. “Nu zijn er mensen die zeggen: wij gaan een zeepkistenrace organiseren. Dat is mooi. Dan zie je dat die verbinding weer ontstaat.”

‘Durf weer voor het wij-gevoel te kiezen’
Hoewel hij met pensioen gaat, maakt Stevens zich nog altijd zorgen over de sociale samenhang in dorpen. Vooral jongeren verdienen volgens hem meer aandacht.

“Jongeren worden begeleid door school en ouders, maar in het openbare veld niet. Dat is van ons allemaal.”

Hij pleit voor nieuwe ontmoetingsplekken waar jongeren zelf verantwoordelijkheid krijgen. “Laat ze een eigen honk maken. Wie heeft er nog een bankstel over? Laat ze zelf iets opbouwen. Dan kan een jongerenwerker zeggen: ‘Hé jongens, waar zijn we mee bezig?’”

'Laat ze een
eigen honk
maken. Wie
heeft er nog
een bankstel
over?'


Volgens Stevens hoeft dat niet veel geld te kosten. Belangrijker is dat er mensen zijn die relaties opbouwen en jongeren begeleiden. “Dat ze weten: ik ben er niet alleen vandaag, maar ook morgen voor jullie.”

Hij hoopt dat gemeenten en welzijnsorganisaties opnieuw durven investeren in ontmoeting en leefbaarheid. “We staan aan de vooravond van een nieuwe periode. Ik zou tegen de nieuwe raad en wethouders willen zeggen: pak die handschoen op en durf weer voor en door bewoners te werken.”

Stap terug
Helemaal verdwijnen uit het dorp zal Stevens niet. Hij blijft actief als vrijwilliger bij de KIVADA en betrokken bij Stichting Sport en Cultuur, maar wil wel bewust afstand nemen van zijn professionele rol.

“Mensen moeten loskomen van de professional Coen. Ik ga eerst vier weken op vakantie en even helemaal niks doen.”

Daarna komt volgens hem “de dorpeling Coen” vanzelf weer terug. “Ik woon hier en blijf hier. Ik kijk met een goed gevoel terug. Ik heb veel mensen mogen helpen en mooie activiteiten mogen neerzetten.”